VROUWENMARS

Helse tocht van Westerbork naar Grijpskerk

De helse tochtAls hoofd van de Luchtbeschermingsdienst van de gemeente Grijpskerk hoorde J. de Goed in de nacht van 13 op 14 april 1945 een vreemd lawaai: vrouwen- en mannenstemmen en het geluid van wagens. Hij keek door het bovenraam in de donkere Herestraat en zag een lange stoet vrouwen, door  Duitse soldaten omringd, richting Visvliet trekken. Hij had geen enkel idee wat het te betekenen had en moest tot de volgende dag wachten voor er wat meer duidelijkheid in de zaak kwam. Natuurlijk zou hij zijn waarnemingen kunnen vertellen, maar wie zou dat beter kunnen doen dan iemand die zelf tot die groep behoorde en haar belevenissen aan Bindert Helder uit Grijpskerk vertelde.

Het is mevrouw Riek Sennema uit Zuidhorn. Als koerierster werkte ze ongeveer drie jaar bij de verzetsgroep van Roelof Heidema uit Groningen. Ze zorgde voor het transport van wapens, bonkaarten en het illegale blad Trouw. Op 14 november 1944 werd ze, 35 jaar oud, door de plaatselijke politieman en twee Duitse soldaten uit haar ouderlijk huis gehaald en overgebracht naar het beruchte Scholtenshuis in Groningen.
Negentien dagen lang werd ze dag in dag uit en ook  ‘s nachts aan een kruisverhoor onderworpen en niet bepaald zachtzinnig. Een verzoek van de Duitsers om tegen brood met beleg hun sokken te stoppen had ze geweigerd met de woorden: “Ik stop geen sokken voor mijn vijanden.” Blijkbaar heeft ze die verhoren redelijk doorstaan want ze werd overgebracht naar het Huis van Bewaring. Haar ouders hadden tijdens een persoonlijk bezoek gevraagd om haar vrijlating. Het antwoord loog er niet om: “Vrij? Vergeet het maar, wij zijn héél blij dat die felle bliksem achter slot en grendel zit!”
In het Huis van Bewaring zat ze met meerdere vrouwen in één cel. Eén van hen was een verraadster zodat de conversaties zeer oppervlakkig verliepen. Jaloezie en wantrouwen vierden hoogtij. Sommige vrouwen deden het vrijwillig, anderen werden ’s nachts gedwongen hun diensten aan de Duitsers te verlenen.

In het voorjaar van 1945 werden 16 vrouwen overgebracht naar het Kamp Westerbork, onder wie Riek Sennema. In totaal bevonden zich daar 116 vrouwen: koeriersters en politieke gevangenen uit het hele land. De ramen van de barak waren wit geverfd zodat ze niet naar buiten konden kijken. Ze kregen blauwe overalls die eerder door joden waren gedragen. Op de rug kregen ze rode nummers. Toen nummer 111 uitgereikt zou worden had Riek gezegd: “Geef mij dat nummer maar, want het is hier toch een gekkenbende en dit is zelfs dubbel gek.”
Achteraf vindt Riek Sennema zelf dat die grote mond haar het leven had kunnen kosten, maar ze ging er vanuit dat “een grote mond een kerel van ’t lijf houdt”. Zij en ook enkele anderen kregen een witte band om de linker arm. Betekenis: ten dode opgeschreven!
Hun werk bestond uit het sorteren van materiaal uit door de Duitsers kapot gemaakte batterijen en het scheiden van zilverpapier van gewoon papier. Wilden ze in aanmerking komen voor eten, dan moest er per persoon per dag 20 kg verwerkt worden. Lukte dat niet, dan kreeg men één week geen eten. De gewoonte was dan dat iedere kamerbewoonster een lepel vol eten aan de gestrafte afstond.
Zo verstreken weken van ellende, wanhoop en onzekerheid. Echter, op zondag 8 april gebeurde er iets vreemds. Ze kregen eten zoveel als ze wilden en dit herhaalde zich op 9 en 10 april. Ze hadden er geen idee van wat daarvan de oorzaak kon zijn. (Later werd hen verteld dat het kamp die 3 dagen zo goed als zonder bewaking was geweest.)

Op 11 april 1945 kwamen er enige honderden Duitsers in het kamp. De vrouwen moesten zich reisklaar maken. ’s Nachts gingen ze, onder zware bewaking, op weg richting Assen. Ze liepen in groepen van 3×3 omringd door Duitsers. Ze hadden hen Partizanen-vrouwen, die doodgeschoten zouden worden, genoemd. Het werd een verschrikkelijke tocht. De groep bestond uit vrouwen van alle rangen en standen en ook de leeftijd varieerde van jong tot oud. Zelfs hoogzwangere vrouwen waren erbij. Ze trokken langs Assen en hoorden dat daar behoorlijk werd geschoten. Het maakte grote indruk op hen. In de buurt van Loon werd tegen de ochtend halt gehouden. Ze werden ondergebracht in een boerderij van een NSB’er. Daar werd de dag doorgebracht met weinig eten. Bij het invallen van de duisternis ging men weer op stap richting Groningen. Tegen de morgen van vrijdag 13 april bereikten ze het Hooihuis aan de Friesestraatweg, even voorbij Groningen.
Een deel van de Duitsers die de groep vrouwen begeleidde werd ingezet voor de verdediging van Groningen. Hoeveel dat er waren is Riek niet bekend. Want als ze maar even buiten de rij gingen lopen of omkeken werden ze direct in de rij teruggeschopt. Waarnemingen waren uitgesloten. Wel werd hen bekend dat de commandant van de Duitsers een koerier naar Groningen had gestuurd met het verzoek om eventuele vrijlating van de vrouwen. Blijkbaar waren ze een blok aan het been van de terugtrekkende Duitsers. Dit verzoek was zeer beslist afgewezen.

Riek Sennema sprak met de knecht van het Hooihuis (eigenaar Dijkstra) en vroeg hem een pakje shag bij haar ouders in Zuidhorn te gaan halen. Ze schreef haar verzoek op een melkbriefje en gaf dat aan de knecht mee. Haar vader ging mee terug en verkleedde zich als boer bij de overbuurman van het Hooihuis, de familie Poel, en ging het achterdeel (waar de koeien stonden) aanvegen, om zo in contact met zijn dochter te komen. Er vond een zeer geëmotioneerd gesprek plaats tussen vader en dochter. Immers Riek Sennema had haar vader te vertellen dat ze voor altijd afscheid van elkaar moesten nemen. Het gesprek werd abrupt beëindigd door een Duitser die haar schoppend naar de andere vrouwen terugjoeg.

’s Avonds moesten ze weer verder. De Duitsers hadden een wipkar gevorderd waarop de bagage lag en de meest uitgeputte vrouwen konden meerijden. Gelaten sleepten de anderen zich moeizaam voort; bij korte rustpauzes gingen ze zelfs op straat zitten of liggen! Zo trokken ze via Zuidhorn, waar Riek nog een glimp van haar ouders opving, Noordhorn, Niezijl en Grijpskerk richting Friesland.
Bij het krieken van de dag kwamen ze bij boerderij De Nie van de familie De Vries aan de Pieterzijlsterweg; hun derde tijdelijke verblijfplaats. Toen ze De Vries vroegen hoe de stand van zaken was, zei hij: “Niet best, jullie worden allemaal doodgeschoten!” Het laatste greintje hoop was daarmee verdwenen. Een aantal deed de gehate overall uit en trok de door hen uit Westerbork meegenomen burgerkleren aan. Zo gingen eindeloos lijkende uren voorbij.

In de loop van zaterdagmorgen kwam eindelijk het door allen verwachte moment: de Duitsers, met de geweren in de aanslag, schreeuwden dat ze moesten aantreden. Enkele vrouwen vroegen de commandant het kort te maken. Wie kan beschrijven wat er op dat moment door hen heenging? Nadat iedereen zijn plaats had ingenomen deelde de commandant de verbijsterde vrouwen mee: “Sie sind entlassen.” (U bent ontslagen; VRIJ dus!). Een onbeschrijflijk tumult barstte los. Gehuil, gelach, zelfs een rondedans werd ingezet waarbij enkele Duitsers mee in de kring werden gesleurd.

Riek Sennema realiseerde zich echter ineens de mogelijkheid dat de Duitsers zich wel eens zouden kunnen bedenken en rende met een meisje uit Putten, die verkering had in Zuidhorn, naar de schuur om hun tassen te pakken. Zo hard ze konden liepen ze richting Grijpskerk en leenden een fiets bij de familie Van Weerden. Ze herinnert zich nog dat ze geen vermoeidheid meer voelde, dat kwam pas later. Natuurlijk kunt u zich de emoties bij terugkomst in het ouderlijk huis van een dood gewaande dochter voorstellen. De tol was erg hoog voor Riek: invalide voor het leven! Toch heeft ze er nooit spijt van gehad. Ook heeft ze er nooit aan gedacht om met het illegale werk te stoppen. Ze vond het zeer belangrijk, mooi en spannend werk. Haar geloofsovertuiging had haar mede kracht gegeven. Een door haar ontvangen hoge onderscheiding heeft ze nooit gedragen: van haar had dat niet gehoefd.

Hoe ging het met de andere vrouwen?

Die zaterdagmorgen gingen ook zij terug naar Grijpskerk. De NSB-burgemeester dirigeerde hen naar de boerderij van Gerrit Cleveringa aan de Groningerstraatweg. Door de oorlogstoestand konden de meesten van de ongeveer 80 vrouwen nog niet naar huis. Een aantal van hen bezocht op zondagmorgen een kerkdienst in een van de vier kerken en werd door de inwoners van Grijpskerk voor de koffie en een warme maaltijd uitgenodigd. Zo namen de heer en mevrouw De Goed drie dames mee uit de (Doopsgezinde) Vermaning. Daarbij was onder anderen Barones Rambonnet Speet uit Elburg.

Tegen twaalf uur was er een vreemd geluid in de Herestraat. Gejuich en geschreeuw: Canadese tanks! BEVRIJD! Vlaggen werden voor de dag gehaald. Voorgoed voorbij die rottijd! De Canadezen trokken al gauw weer verder in de richting Friesland. Het werd weer wat rustiger in Grijpskerk maar de vlaggen wapperden en de mensen stonden nog opgewonden met elkaar na te praten. Plotseling kwamen echter leden van de Binnenlandse Strijdkrachten met het bevel onmiddellijk tot nader order de vlaggen weer binnen te halen omdat er nog Duitse troepen in aantocht zouden zijn. Teleurstelling maar ook angst.
De volgende dag was de bevrijding wel een feit. Weer waren er Canadese tanks in Grijpskerk. Twee schoten werden gelost richting Zoutkamp. Doelbewust lieten de Canadezen daar de projectielen in de haven terechtkomen om de eventueel nog aanwezige Duitsers de stuipen op het lijf te jagen. Er bleek echter geen Duitse soldaat meer te zijn.
De vrouwen bleven nog ongeveer een week bij Cleveringa op de boerderij en werden zelfs bezocht door prins Bernhard. Met een oranje bus werden ze teruggebracht naar hun eigen gezinnen en was voor hen een onverwacht gelukkig einde gekomen aan een afschuwelijke tijd.

Bindert Helder

Dit verhaal verscheen eerder op 28 maart 1995 in Het Westerkwartier.